Ik ben bezig met samenvattingen te maken van de hoofdstukken van de 308.
Als iemand ook mijn samenvattingen wilt lezen dan mag dat.
Graag even een bericht achterlaten of een mail versturen.
Mirelle :rolleyes:
Hoofdstuk 1
1.2
De huidige visie op zorg: de cliënten zoveel mogelijk zelf bepalen welke zorg zij nodig hebben, in overleg met de cliënt bepaalt de instelling welke zorg zij kan geven.
Mentor neemt beslissingen voor iemand die dat niet zelf kan. Een mentor is vaak iemand van de familie, maar ook iemand anders kan het mentorschap op zich nemen. De beslissingen die een mentor moet nemen, liggen op het gebied van verzorgen, behandelen en begeleiden.
1.3.1
Intramurale zorg: binnen de muren van de instelling ( ziekenhuis, verzorgingshuis, verpleegtehuis of een instelling voor verstandelijk gehandicapten. ) Ze verblijven daar permanent of tijdelijk.
Extramurale zorg: buiten de muren van de instelling ( tandarts, huisarts en wijkgezondheidscentra.)
Semimurale zorg: gedeeltelijk binnen de muren van de instelling gegeven. Iemand woont zelfstandig, maar bezoekt meerdere dagen in de week een dagopvang in een verzorgingshuis.
Transmurale zorg: over de muren heen. Medewerkers gaan naar de cliënten toe die in de wijk wonen en geven daar de nodige zorg.
1.3.2
Verzorging: alle handelingen die nodig zijn om schoon en gezond te blijven
Begeleiden: je bespreekt met de cliënt wat hij in welke volgorde kan doen. Je reikt hem als het ware een soort gebruiksaanwijzing aan.
Verschil verzorgen en begeleiden: bij het verzorgen neem je de taken over van de cliënt.
1.4
In een zorgplan, behandelplan of een ondersteuningsplan staat wat de cliënt nodig heeft en wat hij prettig vind.
In ziekenhuizen en verpleeghuizen heeft z’n plan een verpleegplan.
Overeenkomst tussen een plan en een dossier is dat in beide documenten alle gegevens van de cliënt staan.
Zorgplan: beschrijving van de huidige situatie, doelen en activiteiten om die doelen te bereiken.
Zorgdossier: beschrijving van de huidige situatie en activiteiten.
Verschil: een verschil tussen een plan en een dossier betreft de doelen. In een zorgdossier worden geen specifieke doelen opgenomen. Er is dan een algemeen doel. Bijv. de cliënten de mogelijkheid bieden binnen hun beperkingen zo zelfstandig mogelijk te functioneren.
In het zorgplan zijn wel doelen opgenomen. Wat wilt de cliënt zelf bereiken?
Alles wat je met of voor de cliënt doet, moet gericht zijn op de doelen.
1.5
Het bepalen van de verzorgingsbehoefte: gegevens uit zorgplannen bestuderen, groep of cliënt observeren en aspecten van de zelfzorg bespreken met de cliënt.
ADL: algemene dagelijkse levensverrichtingen/ activiteiten van het dagelijks leven. Activiteiten zoals wassen/douchen, haarverzorging, nagelverzorging, aan- en uitkleden, in en uit bed komen, verplaatsen, eten en drinken en naar het toilet gaan.
Zelfredzaamheid: De mate waarin iemand zichzelf kan verzorgen. Wanneer het gaan om ondersteuning doet de cliënt de handeling zelf, maar krijg op bepaalde punten hulp.
Gesprek voeren met de cliënt over welke hulp er nodig is: eerst bedenken welk doel je met het gesprek hebt. Je bedenkt van te voren de vragen die je wilt stellen en je zorgt dat die vragen gericht zijn op het doel van je gesprek. Tijdens het gesprek moet je goed luisteren, doorvragen en stel vragen als er iets niet duidelijk is.
Gespreksdoelen: vaak komen alle 3 de doelen aan bod in een gesprek
kennisdoel hierbij wissel je informatie uit met de cliënt.
Houdingsdoel hierbij gaat er erom welke mening je wilt dat de cliënt heeft.
Gedragsdoelen hierbij gaat het erom wat je wilt dat de cliënt gaat doen.
Opbouw van het gesprek: Inleiding, themafase en slotfase
In de inleiding vertel je wat de aanleiding voor het gesprek is, waarom je het gesprek gaat voeren, vanuit welke functie je dat doet en welke doelen het gesprek heeft. In de themafase komt het onderwerp van het gesprek uitgebreid aan de orde. Je geeft daarbij de cliënt alle gelegenheid daar zijn eigen menig over te geven. Als het nodig is kun je proberen de mening van de cliënt te beïnvloeden. In de slotfase geef je een samenvatting van het gesprek, je controleert of de cliënt het met je samenvatting een sis en je controleert of jullie het eens zijn met de conclusie. Er kunnen dan geen misverstanden ontstaan.
1.6
Concrete afspraken maken over de verzorging: waarom is er hulp nodig, welke hulp geef je, wanneer ga je dat doen, is de afspraak haalbaar en is er afstemming tussen wat jij wilt en wat de cliënt wilt.
Tijdens het gesprek zelf is het belangrijk om steeds de instemming van de cliënt te vragen.
Nadat je hulp of begeleiding een aantal maal volgens de afspraken gegeven hebt, ga je in zo’n evaluatiegesprek na of je hulp aan de verwachtingen van de cliënt beantwoord. Je kunt dan zo nodig je afspraken bijstellen, uitbreiden of beperken.
1.7
Een planning is: een middel om je doel te bereiken.
En tijdsplanning is een middel om ervoor te zorgen dat je de gestelde doelen op tijd bereikt.
Doel van je werkplanning: Een werkplanning is een middel om ervoor te zorgen dat al het werk gedaan word.
In feite zijn alle planningen tegelijkertijd ook tijdsplanningen. Je wilt dat bepaald werk, in een bepaalde tijd af hebben.
1.7.1
Een planning maken: alle activiteiten op een rij, doelen stellen, wensen en behoeften van de client en bijzonderheden ( agenda)
Doorloopschema’s kun je maken voor periodes van een paar maanden, maar ook voor een week.
De nummers in het doorloopschema verwijzen naar activiteiten.
1.7.2
Werkrooster: een lijst met activiteiten in de volgorde waarin je ze moet uitvoeren.
Het lijkt wel op een doorloopschema, alleen staan de activiteiten gewoon onder elkaar in plaats van in een schema. Voor het dagelijks werk kun je volstaan met een werkrooster.
Verschil tussen werkrooster en doorloopschema: Werkrooster activiteiten met tijden, voor een korte periode ( dag tot week).
Doorloopschema activiteiten met globale tijden, voor een langere periode ( week tot enkele maanden)
Aanpassingen in het werkrooster: prioriteit stellen, aanpassingen aanbrengen op het rooster, bij twijfel laten controleren door je collega’s of leidinggevende, overleggen met de cliënt wat met hun betrekking heeft.